Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
591
entegen als te ver verwijderd voor, dan houden wij ze voor te groot.
Zoo ontstaande dwalingen of de optische misleidingen
over de grootte van verwijderde ligchamen. Zon en
maan schijnen bij haren op- en ondergang, daar de digtere
luchtlagen van den ondersten dampkring haar licht verzwakken,
minder helder; daarom houden wij beide hemelligchamen dan
voor te ver verwijderd en voor grooter dan anders. Om de zelfde
reden schijnen de zeven sterren van den grooten beer verder
van elkander te staan wanneer wij dit sterrebeeld in de nabijheid
van den horizon zien. Bij m i s t i g w e d e r vertoonen alle voor-
werpen zich aan ons als te ver verwijderd en als in 't oog loo-
pend groot. Nadat men omgekeerd de wijzerplaat of het
kruis op eenen toren te nabij acht, worden beide gemeenlijk
veel te klein geschat.
329. De inrigting van het oog. Het menschelijk oog is Het
een eenvoudige optische toestel, waarvan eene bolle lens
voornaamste bestanddeel uitmaakt. Het heeft den vorm van oog.
eenen bol met eene ligte uitpuiling en ligt in eene met vet en
celweefsel gevoerde holte, de oogholte. De buitenste bekleeding
van den oogappel is het harde oogvlies, het witte in het
oog h h; het is hard en meerendeels on-
doorzigtig; slechts aan de voorste meer
gewelfde zijde H is het doorzigtig en wordt
daar hoornvlies genoemd. Onder het
harde oogvlies breidt zich binnen het ge-
heele oog een tweede omhulsel uit, het
a d e r V1 i e s , hetwelk met eene zwarte,
slijmerige stof overdekt is. A.an de voor-
zijde van het oog heet de voortzetting
van het adervlies iris of regenboogvlies, i i, zij vormt eenen
ring om eene opening en heeft eene grijze, blaauwe of bruine
kleur. De cirkelvormige opening in de iris wordt de pup ill a
genaamd. Als derde, binnenste hulsel ligt binnen het adervlies