Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
590
Opti- van een voorwerp, dat mj zien, beoordeelt. Maar nu kunnen
mislei- groote en kleine voorwerpen zich aan ons onder een en den zelf-
dingen. den gezigtshoek vertoonen, n. 1. wanneer de grootere meer verwij-
derd zijn. Weten wij niet, welke onder de geziene voorwerpen ver-
der af zijn, dan kunnen wij ook niet weten welke grooter zijn.
Daarom vermogen wij slechts dan over de grootte der waarge-
nomene voorwerpen juist te oordeelen, wanneer wij hun-
nen afstand kennen.
De juiste beoordeeling van den afstand is echter louter
een zaak der oefening; wij letten daarbij op tweederlei omstan-
digheden: l"- op de dingen, die zich tusschen ons
en het voorwerp bevinden, en 3". op de helder-
heid en duidelijkheid van het waargenomen
voorwerp Wij houden het voor n a b ij , wanneer wij in de
ruimte tusschen dat voorwerp en ons weinig voorwerpen zien en
wanneer het zich zeer helder vertoont. Ligt echter vellen wij
over den afstand valsche oordeelen, die men wel optische
misleidingen noemt, doch die geen bedrog der oogen, maar
dwalingen van het verstand zijn. Bij de helderder verlichting
door de sneeuw misleiden wij ons over de afstanden en houden
alle plaatsen van een winterlandschap voor te digt bij.
In den nacht schijnt een verwijderd vuur ons nabij te zijn,
omdat het meer licht geeft dan bij dag. Het hemelgewelf
komt ons eenigzins neergedrukt voor, omdat de luchtlagen, die
zich boven ons bevinden, doorzigtiger en helderder zijn dan die
aan den horizon, en er tusschen hemel en aarde niets is, waar
naar de afstand zich laat afmeten; in 't algemeen schatten wij
alle hoogten te laag.
Uit eene valsche beoordeeling van den af-
stand ontstaat eene valsche beoordeeling der grootte; wij
schrijven aan voorwerpen, die wij voor nader bij houden dan
zij zijn, eene te kleine uitgebreidheid toe; stellen wij ze ons daar-
*) ß'j geringe afstanden vooral op den hoek, dien de oogassen
vormen, als beide oogen op het voorwerp gerigt zijn. Lm.