Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
588
Kleiner lijn met het tafelblad behoudt, beschouwe het twee even groote,
v^^^d^^ maar op ongelijken afstand opgerigte stokken nr. 1 en 2. De
gezigts-
hoek bij
groote-
ren af-
stand.
Fig. 340.
verste stok nr. 1 zal zich onder een kleineren gezigtshoek ver-
toonen eu kleiner schijnen. Hoe verder afeen voorwerp
is, des te kleiner is zijn gezigtshoek, en des te
kleiner schijnt het te zijn. Een groot, maar verwijderd voorwerp
heeft met een klein, maar nabij gelegen den zelfden gezigtshoek
en kan door het laatste voor ons verborgen worden. Gemakke-
lijk kan men de lengte van een kleiner stokje nr. 3 vinden , dat,
op de plaats van den tweeden stok opgerigt, den meer verwij-
derden, grooteren eersten stok juist bedekt.
Zoo vertoont zich aan het oog uit het midden eener kamer
Verwante een geheel venster aan een tegenover staand huis bijna onder
^^eelen"" ^^^ zelfden gezigtshoek als eene enkele vensterruit, door welke
het oog heenziet. Zoo schijnen de verre weg grootere, maar ook
veel verder verwijderde vaste sterren kleiner te zijn dan
de maan, die veel digter bij ons staat. De zijwand aan het verste
einde eener lange zaal vertoont zich smaller en lager dan die,
welke digter bij den waarnemer is; de zoldering schijnt aan het
verste einde te dalen en de vloer hooger te liggen. Een horizon-
tale straatweg schijnt in de verte omhoog te loopen, en
iedere verhevenheid van den grond steiler te zijn
dan zij werkelijk is. De tusschen ruimte tusschen de
meest ver w ij derde boomen eenerlaan komt ons veel
kleiner voor, zoodat de beide rijen boomen in de verte tot elk-
ander schijnen te naderen; de boomen, die in de teekening