Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
584
Fig. 336.


luchtbeeld de thermometer aan den top van den mast veel
hooger staat dan beneden op het dek; boven het schip
bevindt zich eene veel warmere en dunnere
luchtlaag; het
schip zelf en het oog
O des waarnemers
zijn in de koudere
en digtere luchtlaag,
die beneden op de
frissche zee rust.
Daarom neemt het
oog het schip eerst, als gewoonlijk , door ongebrokene stralen
waar. Maar door de volkomene terugkaatsing in de
hoogere dunnere luchtlagen komen er ook stralen in 'toog,
die bij een gewonen toestand der lucht er nooit in gekomen
zouden zijn. De straal, die van de toppen der masten zeer schuin
tegen de dunnere luchtmassa gerigt is, wordt door haar naar O te-
rug gekaatst, en het oog aanschouwt in de rigting Oa een beeld
der masttoppen. De lichtstralen, die van het onderste gedeelte
van het schip komen, treffen eerst eene hoogere luchtlaag in
het punt h zoo schuin, dat zij terug gekaatst worden en in de
rigting O A op eene hoogere plaats het dek van het schip af-
beelden.
*Hoewel dit, om de figuur niet onduidelijk te maken, niet
geteekend en ook niet gezegd is, zal toch wel de eenvoudige
vermelding genoeg zijn, dat men hier, even als bij de volgende
verklaring, het zelfde moet in 't oog houden wat reeds vroeger bij
de straalbreking in luchtlagen van toe, of afnemende digtheid
gezegd is: dat namelijk de lichtstralen, bij dien overgang
trapsgewijs van rigtingveranderen, en dus eindelijk
zoo schuin vallen op eene laag van nog geringere digtheid,
dat zij totaal daarop terug gekaatst worden.
Op het land liggen het s p i e g e 1 b e e 1 d en de dunnere
luchtlagen beneden het oog van den waarnemer; de voor-