Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
5S0
het verstrooijingspunt Z kwam. Het 002:, flat de beide gebro-
kene stralen p q en m o ontvangt, meent die uit hun snijpunt
g te ontvangen, en ziet het grenspunt van het voorwerp niet
in G, maar digter bij in f, aan de eene zijde der as, en daarom
regt, digter bij de as en daarom verkleind.
324. De astronomische straalbreking en de Fata
Astro- Morgana. De lagen der lucht, die de aarde omgeeft, zijn van
sehe ongelijke digtheid; aan de hoogste grens des dampkrings het
^st^al- dunst; zij nemen in digtheid toe hoe nader zij bij dè opper-
vlakte der aarde zijn. Iedere lichtstraal, die van een hemel-
ligchaam tot ons komt, gaat daarom door luchtlagen van
verschillende digtheid en moet, ingeval hij er schuin opvalt»
in ieder eene breking ondergaan. Aan de grens van den damp-
kring ondervindt de door eene ster A uitgezondene straal A c de
eerste afleiding van zijnen regten weg en wordt, daar hij uit de
ledige wereldruimte in een digter ligchaam treedt, naar de in-
valsloodlijn toe gebroken; in de volgende, digtere luchtlaag na-
dert hij nog meer tot de loodregte rigting en wordt steeds min-
der schuin, tot hij in de rigting h O in hef oog komt, dat zich
Fisr. 333.
op de plaats O bevindt. Het oog ziet de ster in de rigting, in
welke het door den straal getroffen wordt, in de rigting O />, en
neemt ze in het punt a waar. Daarom vertoonen de