Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1861
2e, verb. en verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 174 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204279
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
579
vlak op grooteren afstand van het glas houdt. De stralen
evenwijdig met de as invallende worden door
een hol glas verstrooid; zij worden verder van elkan-
der verwijderd eu loopen zoo uit elkander, alsof zij alle uit een
punt Z komen, dat men het verstrooijingspunt noemt.
Dit verschijnsel is het tegengestelde van dat, hetwelk door een
bol [glas wordt voortgebragt; het bolle glas verzamelt de
zonnestralen in één punt, het holle glas verstrooit ze, alsof zij
alle uit één punt kwamen.
Proef b. Daar de holle glazen de stralen niet werkelijk
vereenigen, kunnen zij ook geene werkelijke beelden
doen ontstaan, maar slechts schijnbare. Beschouwt men, ter-
wijl men het eene oog sluit, met het andere door het holle glas
op den afstand van een el of meer eene brandende kaars, dan
vertoont deze zich regtop en verkleind. Om de plaats,
waar de kaars zich vertoont, te bepalen, beschouwe men ze
een tijd lang onafgewend door het glas en schuive dit daarop
schielijk van het oog weg. De kaars zelf zal verder verwijderd
zijn dan zij door het glas gezien scheen te zijn.
Door een hol glas beschouwd, vertoonen zich
alle voorwerpen regt, verkleind en nader bij.
Van het hoogste punt G van het voorwerp gaat een licht- Verkla-
straal G o onafge-
332. ^^^^ ^gj
midden der
lens, waar hare
oppervlakten bijna
met elkander even-
wijdig zijn; het door
de lens ziende oog
moet daarom de punt der vlam in het een of ander punt der
lijn O G zoeken. Een tweede lichtstraal neemt uit G eenen weg
G 71, e V e n w ij d i g met de as, en wordt volgens proef a
zoodanig gebroken, dat hij de rigting p q inslaat, alsof hij uit