Boekgegevens
Titel: Verzameling van voorstellen ter oefening in de algebra
Deel: III
Auteur: Bolderman, H.J.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1889
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1324 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204273
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verzameling van voorstellen ter oefening in de algebra
Vorige scan Volgende scanScanned page
39
en door de deelpunten zijn uit het middelpunt cirkels ge-
trokken ; men vraagt hoeveel maal de som der omtrekken
van de 24 aldus verkregen concentrische cirkels grooter is
dan die van den gegeven cirkel ?
20) Men vraagt het verschil van de termen van eene rekenkun-
dige reeks, waarvan de middelste term 20, de eerste term
2 en de som der termen 260 is.
21) Iemand , die f 10000 a 5% opgenomen heeft, betaalt jaar-
lijks den verschenen interest en lost bovendien/'200 af. Men
vraagt hoeveel hij in alle termijnen te zamen betalen moet.
22) Iemand, die van eene schnld behalve den verschenen inte-
rest jaarlijks f 700 aflost, heeft in 20 jaar aan aflossingen
met den interest a 5% f 23150 betaald. Hoe groot blijft
zijne schuld nog ?
23) Als eene schuld van f 100 ' , waarvan jaarlijks de versche-
nen interest en bovendien f 100 afbetaald wordt, in het
geheel met f 1247,50 voldaan is, tegen hoeveel ten hon-
derd in het jaar is dan de interest gerekend ?
24) Als eene schuld, waarvan jaarlijks de interest a 4% be-
taald wordt en bovendien eene zekere som ter aflossing ge-
geven wordt, in 8 jaren met f 1416 afbetaald is, hoe
groot is dan die schuld ?
25) Als de zesde term van eene rekenkundige reeks, waarvan
het verschil 5 is, de helft is van den zesden term van eene
rekenkundige reeks , waarvan het verschil 3 is en de 25ste
termen van beide reeksen even groot zijn , hoe groot zijn
dan de eerste termen van die reeksen ?
26) Hoeveel termen moet men tusschen 36 en 215 interpolee-
ren , opdat de tweede term slechts j meer zij dan de eerste ?
27) Van eene rekenkundige reeks is de eerste term 17, het ver-
schil 2 en de som 336 ; men vraagt den laatsten term en
het aantal termen.
28) Van eene rekenkundige reeks is de laatste term 51, het
verschil 3 en de som 450 ; men vraagt het aantal termen
en den eersten term.
29) Als iemand in een jaar f 500, het volgende jaar ƒ 550 en
elk jaar f 50 meer overhoudt dan het vorige . na hoeveel
jaar zal hij dan f 19500 overgehouden hebben ?
30) Van welke hoogte moet een vrijvallend lichaam vallen om