Boekgegevens
Titel: Verzameling van voorstellen ter oefening in de algebra
Deel: III
Auteur: Bolderman, H.J.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1889
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1324 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204273
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verzameling van voorstellen ter oefening in de algebra
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
53) Zoek een getal van 5 cijfers, waarvan het getal, dat door
de twee eerste cijfers gevormd wordt, 4 minder is dan het
getal, dat door de twee laatste cijfers gevormd wordt, als
verder gegeven is , dat het eerste tweecijferige getal 68 en
het laatste 8 maal in het overige deel des getals begre-
pen is.
^ 54) Zoek 3 getallen , die te zamen 100 zijn , en waarvan het
zevenvoud van het tweede gelijk is aan de som van het
drievoud van het eerste en maal het derde; terwijl het
tienvoud van het tweede gelijk is aan 2lj maal het derde.
55) A en B hebben voor gemeenschappelijke rekening 200 HL.
steenkolen gekocht. A betaalt zijn aandeel met | van zijn
geld en B het zijne met ^ van zijn geld. Als A / 20 en
B / 30 te kort komt om de 200 HL. alleen te betalen
hoeveel kost hun dan 1 HL. steenkolen ?
56) Zoek een getal van 3 cijfers, waarvan het gedurig product
maal zoo groot is als de som der producten op alle
mogelijke wijzen twee aan twee , waarvan het product der
uiterste cjjfers gelijk is aan de som van 3 maal het eerste
en 2 maal het laatste cijfer , en eindeljjk het cijfer der tien-
tallen 2 maal zoo groot is als dat der honderdtallen,
57) Zoek drie breuken, die één tot teller hebben en die te
zamen gebjk aan | zjjn, onder die voorwaarde, dat de
som van de twee grootste 5 maal zoo groot is als de klein-
ste en dat de som van de eerste , het dubbel van de tweede
en het drievoud van de derde breuk gelijk is aan 1-,'^.
58) A , die / 1000 meer bezit en zyn geld 1 % hooger uitgezet
heeft dan B, ontvangt jaarlijks f 290 meer aan interest
dan B. Als B f 4000 meer bezit en zijn geld i/g % lager
uitgezet heeft dan C en jaarlijks f 40 minder aan interest
ontvangt dan C , hoe groot is dan het vermogen van A ,
B en C?
59) Een kapitaal groeit met den enkelvoudigen interest in 5
jaar tot f 14400 en in 10 jaar tot f 16800 aan. Hoe groot
is dat kapilaal en tegen hoeveel percent staat het uit ?
60) Een kapitaal groeit in 3 jaar met den enkelvoudigen inte-
rest aan tot f 1816; doch zou, één percent hooger uitge-
zet, na 4 jaar met den enkelvoudigen interest /" 1952 wor-
den. Hoe groot is dat kapitaal ?
61) Men vraagt het kapitaal, dat met den enkelvoudigen inte•