Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 115 — ^
„„Dat laat ik mij aogf welgevalfen:
„„Is 't loopen zwaar, wel kruipen wij,
„„Maat Nickel! naar de heiige Hallen,""
Hoe magtloos, en sehier roerloos stijf,
Rigt Hans het uitgeputte lijf
Weêr kreunend op en waggelt henen.
En Nickel hinkt met lamme beenen
Zijn' makker na, en vloekt en knort
Dat hij zoo wreed gemarteld wordt.
Een hanensehreê slechts gaan de vrinden:
En ziet, 't gewenschte plekje is daar.
Waar ze op den grond het aadlijk paar,
Vermoeid, reeds neêrgezeten vinden.
Hans tuurt, en draait, met open mond.
Op zijn gezwollen hielen rond,
En rekt zich uit, en spitst zijne ooren
Met spraaklooze ingespannenheid.
Daar laat zich de eedle vrouw dus hooren:
, Almogend God! — wat majesteit!
,Hier moet ge in 't stof wel nedervallen,
,o Mensch, hier in de heiige Hallen!'
„ „ Om Gods wil, Kik! ^ hoort gij dat kallen ?" "-
„Dat hoor ik, ja, maar wat zij ziet,
„Dat zie ik geenszins." —
„ „ Ik ook niet.
„„Wat nacht is dan me op 't oog gevallen?—
„„'k Bespeur niets van haar heiige Ilallen.""
,Ja, mensch! hier moet gij nedervallen...
, Hier zink ik biddend Hem te voet —
, Den Bouwheer die dees woudreu doet.
,Wat grootsch gesticht! — op duizendtallen
, Van zuilen rust, o God! het dak —
, Het hemelhooge tempeldak,
jWaar millioenen starrenvonken
In de ongemeten verte pronken...'