Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— öä —
5, Als wij gaau, — die verwensehte dingen,
„Die Hallen zagen wij reeds lang;
,, Maar 't is om uit je vel te springen
„Om dat gesnater, dat gezang,
„Dat toeven, waar door de oude rotsen
„ Wat golven morsig water klotsen."—
„„Ach, ]\ik! mijn knieën knikken; 'k zweer
„„Het zweet gudst langs mijn ribben neêr;
„„Mijn bccnen zijn me als lam geslagen;
„„Naauw kan ik nog den knapzak'dragen." " —
„En hoe 't met mij geschapen staat,
„Dat zwijg ik liefst maar, kameraad!..
,, En dan daarbij die ekstcroogen..."
,, „ 't Is erg, vriend Nickel! maar geduld!
„ „ Aan mij alleen ligt niet de schuld:
„„Want vast waart gij niet meê getogen
„„Zoo gé ook niet in den maneschijn
„„Iladt in de Hallen willen zijn."" —
„Ja, Hans! dat kan ik niet weêrspreken;
„ Maar wat geschied is, is geschied.
„Wat dunkt u? 't waar zoo dom ligt niet
„Als we op dees plek maar neder streken,
„En rusten in den maneschijn,
„En lieten Hallen Hallen zijn."
Dit liet zich Hans niet tweemaal zeggen;
Hij zakte ineen op plant en kluit.
Vriend Nik ging kuchend naast hem leggen,
En geeuwde zijn verrukking uit.
Maar plotsling komt een hol geluid
Hun donderend in de ooren schallen;
De gids brult met een basstem uit:
,Hier zijn wij in de heiige Hallen!'
,, „Potz tausend! ha! zoo digt er bij,—