Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
„„Gerust beproeven, lieve IVik!""—
„Fiat!" zegt Niekel, en zij trekken
't Gezelschap na, in 't wandelspoor.
't Gaat hoogten over, engten door.
Waar steen en struik den grond bedekken.
Het maanlicht 'flikkert door de blaan,
De zon zinkt laag en lager neder.
Der vreemden stem heft, zacht en teeder,
Een loflied, haar ten afscheid, aan,
En de echo kaatst die toonen vreder.
INu gaat men snel, dan langzaam voort,
En 't Eaftsgevoel doet menig woord.
Doet menig o, en ach! soms booren.
Nu treft het heilige geruisch
Van 't stille woud, dan 't schel gedi-uisch
Eens watervals hun luistrende ooren;
Nu lokt weèr 's nachtegaals gefluit
Hen lispelende zuchtjes uit;
Dan staren zij door 't loofgewemel
Verteederd naar den starrenhemel.
Of drukken zich verrukt de hand.
En noemen 't oord een lustwarand.
Wat moordweg! en waar zal hij enden?
Zoo zuchten, met gelu-aakte lenden.
Naar ziel en ligchaam even moê.
Het vriendenpaar elkander toe.
En slentert, slepend, schreê voor schrede,
Zoo stom als visschen, mokkend mede. (woord;
„„Maar, vriend!"" neemt eindlijk Hans het
„„Duurt dat vervloekte klautren voort,
,,,,Dan moeten we, uitgeput van krachten,
«»Nog in dit satansch bosch vernachten."" —
,,Ja, Hans! zoo ik zulks had gedacht,
„Gij hadt mij nooit zoo ver gebragt.
„En zoo die steelui dan nog gingen