Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 115 — ^
„„Heer waard! ei zeg, de heiige Hallen?""
„Een stijf kwartiertje verder."—„„Wat!
„„Het wonder dus niet in de stad?
„„Dat 's ons niet in de band gevallen.""
Sprak Hans: „„maar wat nu, makker, zeg?
„„De zon stak vinnig, en de weg
„„Was lang; 'k ben af, en 'k durf u zy<reren,
„,, Ik snak al naar de lange veren.""
„En ik," sprak JNiekel, geeuwend: ,,'kmeen,
„Dat juist van nacht de Heiige Hallen
„ Niet uit elkander zullen vallen;
„ En 't komt dan taamlijk overeen
„ Of wij ze heden zien of morgen.
,, Laat ons voor 't matte lijf nu zorgen."
Hans wenscht niets beters, en terstond
Ligt stok en knapzak op den grond.
Maar eer zij 't avondmaal beginnen.
Stuift met gedruisch een lijfknecht binnen,
Belegd met goud om rok en hoed.
En zegt: ; Heer waard! op staande voet
jEen' leidsman naar de heiige Hallen!; —
, Met zeer gedienstig welgevallen,
jMijuheer! Maar 't wordt al laat, en dan
,Zal 't ook wat koel zijn....'—
; Goede man!
;'tls zóó mijn heerschaps welbehagen,
; Die u of mij geen raad zal vragen:
; Het is juist in den maneschijn /
;Dat ze in de Hallen willen zijn.;
Die taal maakt onzen Hans weêr wakker,
„„Zit in uw knokkels kracht nog, makker?
99 99 Dan verder op! Ik waag het, ik.
„„Wat groote liéns bedienden loven,
99 99 Dat kunnen wij ook, zou 'kgelooven,
6*