Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 115 — ^
Toen de oude vrijn werd klettrend uitgestort
In gouden schalen.
Bedwelmd, mijn vriend, door dit verward gewoel,
En overstelpt door 't zonderlingst gevoel.
Klemde ik mij vast aan een' vermolmden stoel.
Die ijlings kraakte.
En als een rif van vorstelijken pronk.
Mijn hand ontgleed; in duizend stukken zonk;
En door zijn' val, die dof in de ooren klonk.
Me op eens ontwaakte.
'kZag nog een poos naar dien vermolmden staf;
Maar 't ledig slot geleek mij thans een graf.
'k Ging aan uw zij de steile rots weêr af,
In 't hart verslagen.
Zoo kan een droom, een wuft verbeeldingswerk.
Maar 't redelicht in 's menschen geest te sterk,
Ontroerenis, schier zonder maat en perk,
't Gebeent' doorjagen.
De wereld, vrind, misleidt ons keer op keer!
Ze is indedaad, met al baar goud en eer.
Verschijnsel slechts, en heeft geen aasje meer
Aan vast gehalte.
Een groot Monarch, die plotslings de aard verlaat.
En lage slaaf, in diep berooiden staat,
Wien spoedig 't graf van hoon en boei ontslaat,
Is spookgestalte!
Wee 't wuft gemoed, dat zwichtend stof betrouwt.
En een paleis, schoon op een rots gebouwd.
Om korte vreugd en vlugtige eer beschouwt