Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
HET SLOT TE BE^THEII?!.
lair nijiea tbieïd
E. II. WIIiHESIAll!.
Hoe stout en grootscb verheft zieh naar omhoog
Dit grijze slot, en ketent 's vreemdlings oog.
Die, uren ver, naar deze streken toog,
^ Om 't aan te staren.
't Staat onbewoond, en overleeft,zijn' val;
Maar zag toch eens Romein, Tubaut, en Gal
De kruin versieren, bij trompetgeschal.
Met lauwerblaren.
Als de adelbrief van een vergaan geslacht.
Verbreidt het roem in sombre jaramerklagt.
Geef slechts, mijn vriend, op de oude muren acht.
Die leesbaar melden,
In grooter schrift, dan Drusus rots vertoont:
„ Dat de eeuwstroom magt noch majesteit verschoont,
„ En nietigheid eerlang 't paleis bewoont
„Van Vorst en Helden."
't Bestaat nog, ach! gelijk een grijsaard doet.
Die 't nakroost wel met teedren aanblik groet.
Maar toch geen' band met nieuwen vriendenstoet
Meer aan kan knoopen;