Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 115 — ^
Haard en spinde gaan ontberen
» Wat de nood het dringendst vraagt
Hoe de kommer nu te weren,
Die aan hart en nieren knaagt?
Hoe het jammerheir te keeren.
Zoo vernielend opgedaagd?
Derwaarts met uw hulp gevlogen,
Menschen vrienden, die het kunt!
't Redden staat in uw vermogen;
De Almagt heeft het u vergund.
Helpt den strijd ten beste wenden,
Die, in 't nijpen van de ellenden,
Hier de deugd verwinnen zal!
Hoedt den arme voor den val!
Dit, o winter! is een zegen.
Die uwe ongunst op kan wegen,
Daar het offer, bier gestort,
l'ot een dubble weldaad wordt.
16SS. j. ihbkbzsii. , j'.
OP eiERI&AARD,
Valerius heeft geld en goed
In overvloed.
En daaglijks moet hij bougrig vasten.
Niet vreemd! de duivel, die zijn' schat
Met vuisten van metaal omvat.
Bewaart de sleutels van ziju kasten.