Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 115 — ^
't Laatste herfstgroen is verdwenen;
Zelfs de zon sehijnt uitgeschenen;
Eindloos duurt de kille nacht;
Losgeboeide vlagen razen;
Hagels ramlen langs de glazen;
Vlokken stuiven dwarlend neêr;
Deur en venster staat te klettren;
't Zwervend huikje stoot te plettren,
Door een stormvlaag aangerand
En gesmeten op het strand.
O Hoe zalig is 't nu binnen
Voor den nijvren, die mogt winnen.
En bedachtzaam heeft gespaard
Ook wat voedsel voor zijn haard!
o Hoe zalig de avondstonde
Voor het jeugdige gezin.
Dat, de mutserdvlam in 't ronde.
Zit te kouten van de min!
Of voor hen, die, oud van dagen,
In het levendig gesprek
Liever van een' schoonen trek.
Of een' slag, met glans geslagen.
Tot Oranjes eer gewagen!
Maar aan menig valt niet veel
Op den winterdag ten deel!
Vruchtloos vroeg van 't stroo gerezen, ■
Beitel, hamer en truweel
Liggen tot de rust verwezen!
Schraler deelen dag aan dag
W^at behoefte vordren mag.
Eindlijk is uit kist en hoeken
Kluit en spaander zaamgeschraapt,
En wat buiten viel te zoeken,
Opgesprokkeld en geraapt;
J