Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
'm
I i
— 115 — ^
Ën wat is godinncnleest
Lij haar blank gemoed? —
Wat, haar schoon bij 'thart, voor God
en — voor mij in gloed?
Kan wel booger buwlijksbeil
op mij uitgestort?
Ja, Elize! ja, 't zal zijn—
als gij moeder wordt!
1838. j. iMMBRZBEt, J'
DE WINTER.
Komt gij daar wéér, stram van leden,
Op uw sleedjen aangegleden,
Barre winter, oud en grijs?
Komt gij daar weêr herwaarts trekken,
Om rivier en veld te dekken
Met een' .vloer van sneeuw en ijs?
Boden, van uw' wenk gevlogen,
Kenden uwe komst vooruit,
Stroopten, waar ze henen togen,
In het loover, in het kruid.
Wat nog in de twijgen speelde,
Wat er in de dorre hei.
Of de kaalgeschoren wei
Nog van lust en leven kweelde,
Werd door hen verschrikt, geplaagd,
Moégefolterd en verjaagd.
Droevig zit natuur te stenen
Bij haar afgestormde pracht.