Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
HE VERGEIXOEGDE ECHTGENOOT.
Zuinig is mijn lieve vi'ouw
op haar tijd en geld:
' Zij verwaarloost (rond gebiecht)
geen sekonde of speld.
Wilt ge er proef van aau haar' haard ?
zie maar even hier:
Kluitjes turfkool uitgedoofd!
zwaveltjes in vier!
Met klappijen uit de buurt
laat zij nooit zich, in.
't Rustuur zelf moet cijnsbaar zijn
aan een klein gewin.
Ieder draadjen is er één,
dat van 't spinrok schiet!
Vlijtig, spaarzaam, — maar 't gebrek
mist hare aalmoes niet.
y
Steeds bevallig in haar' dos,
nimmer bont of stijf.
Tooit een takje of bloem haar hoed,
spant haar 't keursje om 't lijf.
Dichter, schilder! wat uw kunst
af te beelden poog'.
Waag n aan de schittring niet
, van haar lagchend oo{;,