Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 115 — ^
Tijd eu toekomst opeu ligt:
Deed Hij u dien wellust missen.
Ook Hij spaarde u droefeuissen;
En u toeft de foltring niet
Van het ouderlijk verdriet.
Toen de booswicht trad in 't leven.
Die zijn Moeder zoo deed sneven.
Dacht men aan geen wee of kruis:
Hemel, neen! — 't was feest in huis.
1. lumiszsu, J".
imfiT DEUR
Ilf 'T HUIS ITAIil^ElV.
„De Dood, de Dood klopt op de deur."-
Straks ging hy hier voorby.
En keek eens door een vensterscheur;
Nu komt hy vast om my.—
„Wy zijn wat doof aan 't linker oor!
„Dat keeren wy hem toe;
„Voorzeker, krijgt hy geen gehoor,
„Hy wordt het kloppen moê." —
Het waait, en 't regent dat het giet,
Wat doet hy in zoo'n weêr?
En zoo het wachten hem verdriet,
Hy koom een andren keer!
Op gistren was hy in de buurt,
Maar 'k heb van daag geen tijd}