Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 115 — ^
Bij een sehouwspel als het uwe.
Niet van zijne ontaarding gruwe;
Schaamrood niet terugge keer';
Weêr zijn Moeder liefde zweer';
Niet de tranen van haar wangen.
Boetend, kussend, op koom vangen,
£n zijn leven, gaf het baat.
Niet voor haar ten beste laat?
Maar dit heilig pligtbetoon
Yondt gij niet in uwen Zoon;
Zelfs geen deernis, geen erbarmen! —
Weggestooten uit zijne armen.
Droegen de armen van den dood
U uit hartzeer en uit nood.
Ha! wat nadert gij de baar.
Booswicht! moedermoordenaar!
Weg met die bebloede handen
Van het dierbaarste aller panden!
Vlied van 't vlekloos overschot!
Vier op nieuw uw driften bot!
^moor, versmoor die bange kreten
Van 't te laat ontwaakt geweten!
Geen herstel of troost hier meer:
Stervend, zonk uw offer neêr!
Echtgenooten, mort dan niet.
Zoo ge uw bed onvruchtbaar ziet.
Dat geen telgje n tegenlagche.
Niet om kus of laaf^onk pragche.
Niet met handje of lonkje streel'.
Niet u om de knieën speel'.
Niet u strook' na zorglijk slooven!
Och, een Vader woont hier boven.
Voor wiens vlammend aangezigt