Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
1
— 115 — ^
Wy blijven, 't oog op u gerigt.
Verrukt door uwe Godenzangen,
Aan 't geen ons van u restte hangen!
Vaarwel! de grafsteen drukke u ligt!'
Augustus, 1832. J. p, EASEBBOSK.
TER ri TVA ART
VAH
Laagt gij , moede en afgesloofd.
Arme weduw'! eindlijk 't hoofd
In den moederschoot te rusten?
Zwerfster langs ondankbre kusten'
Zijt gij aan *t ontfermend strand
Eindlijk, eindlijk aangeland?
O Ik ween niet bij het graf.
Dat aan u een schuilplaats gaf.
Die gij hier niet nftog't verwerven:
Zegen, zegen was uw sterven!
Zegen, zegen bragt de dood.
Toen hij zacht u de oogen sloot!
Waartoe zouden tranen stroomen?
Wat toch heeft de dood genomen.
Rustend offer van 't verdriet?
Rouwgewaden, anders niet!
En die rouwgewaden toch
Deed de valsche hoop u nog
Moedig tot den eindpaal dragen;
Maar geen flikkring kwam er dagen;
ö'