Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 115 — ^
Wat het lot ten gronde zwaaij'
Of naar boven till',
't Schokt de harten niet uiteen.
Eens en eenwig lotgemeen
Door verdrag en wil.
Broeder, wien ik eens, verrokt,
Tn mijne armen sloot!
Wat de rampspoed u ontsteel'.
Wat de voorspoed mij bedeel', —
Trouw tot in den dood!
Als een rukvlaag bloem en blad
Van uw heil verstrooit,--
O! wie dan den nek u keer'.
Met uw noodlot zamenzweer'.
Mijne vriendschap nooit!
Aan mijn' boezem vindt gij heul
In uw leed en nood;
En wij deelen, trouw van hart.
Ik, uw felste boezemsmart.
Gij, mijn laatste brood.
Toeft mij aanzien, wacht mij eer,
ü door 't lot ontzegd, —
'k Acht geen' andren gloriekrans,
Dan die ook, door wederglans,
U het hoofd omvlecht'.
Als mij, boven stoutsten wcnsch,
't Lot verkwistend dient.
Wee mij! — zoo 'k dan zeggen dorst,
Met een opgezwollen borst:
Nooit waart gij mijn vriend!