Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 115 — ^
Wil wisslen voor eene oproervaan.
Hoe stout hij huichel' 't Land te minnen,
Een heische gloed blaakt hem van binnen
En dreigt in laaije vlam te slaan.
O Dierbare Eendragt, schoor der staten!
Gij houvast van bet volksgeluk!
Leer gij van ganscher harte ons haten
Den vrijheidsmom, 't gewetensjuk!
Houd onze zielen, zaamgevloten,
Voor allen indruk digtgesloten.
Die 's IJonings troon belagen mögt!
En blijve ons ongekrenkt uw zegen,
Na zoo veel jaren rouws verkregen.
Voor zoo veel stroomen bloeds gekocht!
1029. lullebzebi., j'
Vriendschap! nog, nog zijt ge mij.
Wat gij me altijd waart:
Echte teelt van 't rein gemoed,
Allen menschen trouw en goed
Over heel deze aard'.
Harten, hecht aaneengesmeed
Door uw' hamerslag.
Blijven onverbreekbaar één.
Door den storm der tijden heen,
Tot den jongsten dag.
Wat het noodlot knakk' of sloop'.
Wat de wereld kali',
Wat de wanganst demp' en doov'.
Wat de laster sehend' e» roov', -
Uw verhond staat pal.