Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
paren, zich met de loffelijkste vlijt onledig, om de
aan hunne zorg toevertrouwde leerlingen in de kunst-
matige voorlezing van gedichten ie onderwijzen.
Tot eene handleiding, of tot behulp bij dergelijke
oefeningen, verlangen velen een beknopt bundeltje ge-
dichten, verscheiden van stoffe, bewerking en dicht-
trant, en gekozen uit onze hedendaagsche dichters.
Ik heb getracht, zoo veel mogelijk was, aan dit ver-
langen te voldoen door de dichtverzameling bijeen te
brengen, die ik de eer heb het Publiek bij dezen aan
te bieden. Het zal, bij het inzien van dezelve, wel-
ligt bevreemding wekken, dat er zoo weinig van an-
deren, zoo veel van mij in voorkomt. Ik ben ver-
pligt dit toe te lichten.
Een voornaam vereischte was de verscheidenheid
in onderwerpen en dichtmaten. Om die te verkrij-
gen ,, werd er een ruim veld ter keuze gevorderd;
maar nu stonden er overal grenspalen en merkbord-
jes met de opschriften: bijzonder eigendom van A. en
B.; en: hier liggen voetangels en klemmen. Op die
kampen letterland {mag ik het eens overdragtelijk
zoo noemen) kon ik geene bloemen of kruiden lezen,
zonder gevaar te loopen van onverhoeds door eenig
eigenaar— e?i er zijn zulke grimmige onder!— bij
de kleeren gegrepen te worden, of met een voet be-
klemd ie raken. Mei angstvallige voorzigiigheid heb
ik dus menig lapje gronds onbezocht moeten laten,
waarop ik wel een of ander van mijne gading zou
aangetroffen hebben. Niet te min heb ik hei voordeel
mogen genieten, dat verscheiden vriendelijke landei-
genaars mij te gemoet gekomen zijn, en mij welwil-
lend vergutid hebben, een enkel bloempje uit hunne
rijke gaarden ie plukken ; waarvan ik dan ook met
dankbare bescheidenheid gebruik gemaakt heb. Op