Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
- Ö9 —
Alaar... geeu klaget! — gehoopt — geuoten
wat ons levensperk gehengt;
Tot ons Charon's open yeerboot
over 't Kwarte water brengt,
J. VAK WALBÉ.
(*) Jam Akbrsloot, Scheepstimmerman aan het Zuider-Bultenspaarne,
aan wiens Werf eeu aantal tbntschoit«» te hunr waren, ea bij welke
een uitgestrekte nANs stond, ten tecken dat de schepen diar dc zeilen
etrijken moestenj doch dat alles is weg!
ItERZAITG.
Hartstogtlijk aan den grond te kleven,
Waar 't wiegebed ons werd gespreid
Eer nog ons oog den cijns van 't leven
In d'eersten traan had uitgeschreid;
Waar onze jeugd in spel vervloeide,
Onze eerste kennis kiemde, en groeide,
En rijpte tot ervarenis; —
Zie daar, van wat met ziel en zinnen
De menseb van 't aardsebe op aard' moog minnen,
Eene aandrift die 't regtschapenst is!
Wat ge, alvernieler! moogt begraven
In 't stof, uw vleuglen afgeschud.
Uw woede ontziet de kroon der Braven,
Hun land weleer ten steun en stut;
Gij doet hun eerzuil hooger rijzen
In steeds vernieuwende eerbewijzen.
Door de eeuwen aan bunn' roem gebragt;
En als ge eens, afgemat van 't rennen,
Terneer strijkt roet geknakte pennen.
Bewondert nog hen 't laatst geslacht.