Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 3(J —
Ja, geliefde aanger Gesner,
zelf, van warm gevoel gepord.
Hebt gij, door Melida's schoonheid,
vuur den jongling ingestort.
Die het eerst den boom deed vallen
en dien hooide tot een schuit;
Die, door vlotte schelp en grondel,
licht kreeg tot zijn kloek besluit;
Die, door 't dubbel voorbeeld wakker,
met den gloed der min in't oog,
't Eerst, met nooit beproefden riemslag,
naar Melida's eiland toog;
Gij-zelf Amor, kroonde 't barkjen,
dat uw dienst voorts heilig is;
Spande zelf een tentje er over,
voor hun miugeheimenis.
Paart dan, liefelijke zangers.
Dichtlief, Gloorroos, hart en mond;
Zingt de Vaderlandsche Tentbüot,
echte telg van d'eersten vond!
Winlust, eerzucht hebbe 't schuitje,
met Egypte's pracht vergroot;
Kunst, vernuft, een mast en zeilen
toegevoegd aan de eerste boot;
't Breng'zoo Plutus, Mars, Bellona,
door Neptunus, schatten meê;
Maar wie kiest geen kleine tentboot
boven zulk een' schrik der zee 'l —
Ieder Land, waar IVereus armen
breed of eng zijn uitgespreid.
Mint dit voertuig van de Liefde,
vriendschap en gezelligheid:
De onbekommerde Siammer
voere, naar den eisch zijns rangs.