Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 115 — ^
Mag geen «itzigt mij meer glimmen.
Lokt het zelfs geen' vrenscL meer af;
'k Zie een schooner aan de kimmen,
Aan de gindsehe zij' van 't graf.
Godsdienst spreekt nu onverhinderd,
Hoe 't genot al meer vermindert.
Tot mijn ziel met nieuwe kracht.
Moog' dan 't zinlijk oog verduistren,
'k Hoor hem zachtkens om mij fluistren,
Dat me een beter aanzijn wacht.
Rolt nog vaak een bittre trane
Op het stof van Dierbren neêr.
Ieder stap aan 't eind' der bane
Kort bij dag de scheiding meer.
Wa een luttel aantal schreden,
I Die ik eenzaam voort moet treden,
Is de pelgrimsreis volbragt!
! ' Zou nog daar mijn hoop verflaauwen?
i 'k Zie het Vaderland reeds blaauwen,
! Dat mij in hunn' kring verwacht.
' ' Beste troost na 's levens plagen,
Rust, die 't matte hart nog vleit,
II Och! bedauw mijn laatste dagen
' Met uw stille zaligheid!
I Moet ik nog den cijns van 't leven,
ii Die van 't Menschdom wordt geheven.
Soms betalen met een' traan,
, 'k Zal hem zonder morren bieden.
Blijft de Rust mij slechts niet vlieden,
r Lacht zij me in den dood nog aan.
b. i-eith.