Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
_ 83
Wensch ik me in mijn oude dagen
Ëindlijk van een juk ontslagen,
Dat zoo lang mij heeft bekneld.
'k Wensch slechts bij mijn stille boeken.
Door geen aardsch rumoer gestoord,
Onbelemmerd te onderzoeken,
Wat mijn geest en hart bekoort;
Daar, bij vroegre en laatre Wijzen,
Daaglijks zelf in prijs te rijzen,
Of, uit bunnen kring gekeerd.
Door mijn lommerrijke dreven
Mijn gedachten na te leven.
Als het vrije hart begeert.
Al de vreugd, van 't veld te wachten,
Is met werkzaamheid gepaard.
Die, bij nieuwe levenskrachten.
Altijd nieuw genoegen baart.
Boomen, planten, akker, weide.
Preken Liefde en Almagt beide,
Strenglen deugd hier aan genot.
Vrij van 't woelig stadsgewemel,
Rijst het hart er tot den Hemel,
Vindt er 't overal zijn' God.
Lente, zomer, herfst en winter.
Elk komt mijn genot te sta.
En zij laten nooit een splinter
In 't gerust geweten na.
Alles wordt mij voorbereiding
Tot de laatste, groote scheiding,
En zij vindt mijn hart gereed.
Zachter schijnt de dood te naadren,
Als hij langs gevallen blaadren
Tot de stille veldhut treedt.