Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— S2 —
'k Zag haar heil als waterblazen,
Die het kind het meest verbazen
Als zij 't naast op barsten staan;
'kZag haar vreugd en schijnvermaken.
Waar zij 't hart het felst doen blaken,
Als een' droom in 't niet vergaan.
Aan mijzeiv' op 't Land hergeven.
Lacht op nieuw Natuur mij aan,
En mijn hart, aan waan ontheven,
Is met haar genot voldaan.
Vrolijk groet mijn oog den morgen,
Eu mijn avond, zonder zorgen.
Zegent d'afgerolden dag.
Zielrust schudt mijn peluw zachter,
En de Godheid blijft mijn wachter,
Als de slaap mij streelen mag.
'k Bid den milden Albehoeder
Om geen nutloos levensend'.
Dat, bij legersteê en voeder.
Nimmer hooger nooden kent.
'k Wensch, door lagen lust gedreven.
Om geen enkel plantenleven.
Of die trage, loome rust.
Die het dier in kracht doet winnen.
Maar, door 't ruim genot der zinnen.
Onder 't stof den Engel bluscht.
Neen! de rast, die mij kan streelen,
Is slechts tijdwinst voor mijn hart.
Die beslomring nooit kan telen.
Die den dwang der wereld tart.
Mat van al de beuzelingen.
Die ons 't leven op komt dringen.
En van stage zorg verzeld.