Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 51 —
Den hechtsten pijler. God en aard ten zoen, te slopen;
De onnoozlen, op zijn' wenk vermoord.
Zien juichend op mij néér, en sluiten de armen open.
En wenken mij naar 't veilig oord,
Moog nog 't vooroordeel mij betichten, —
Verwijderd is de dag niet meer.
Die mij herstellen zal in eer.
En 't rot der beulen zal zien richten. —
Vergeet mij, dierbre Vader! — Neen!
Keer 't oog bemoedigd naar mij heen:
Mijn lot is groot en gehoon, en 't zal steeds schooner
En, als u 'thart rerteederd wordt, (blinken!
Bedenk dan, dat 't schavot ons niet in sehand'doet zinken.
Maar 't misdrijf slechts in schande stort!
1834, ^ j. immbbzebt, j^
AA^ Di: RIJST.
Rust aan d'avond van het leven,
Eenigst nog begeerlijk goed.
Dat ons hier s'ieeds vi'eugd blijft geven.
En den dood niet vreezen doet!
'k Zing, na zes en zestig jareu.
Onder zorgen en gevaren.
Vreugd en kommer heengesneld;
'k Zing u, door u-zelve ontstoken,
In uw' stillen schoot gedoken.
Op het ongestoorde veld.
Door geen driften meer veroverd.
Koud voor glaan» en vlugtige eer.
Door geen wereld meer betooverdi.
Streelt haar lokaas mij niet meer.
4*