Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— ÖO —
Neen! 'k heb een* moorduaar neérgeslagen.
Dank, dank voor dezen moed, mijn God!
Mij wacht de slagtbijl op 't schavot;
Dit wist ik; 't zij zoo! 'kzal ook daar geen' moed ontberen;
Maar wie hier God door envlen tai-t,
In 't midden van zijn wacht, voor 't wraakstaal siddren
Hem wankend boven 't schuldig hart. (leeren.
Moest daartoe dan uw tempel rijzen,
Onschatbre Vrijheid, die 'k waardeer?
Helaas! 't is uw verwrongen leer.
Die elk regtscbapen hart doet ijzen.
Bloedgierig wierp een beulendrom
Uw kroon in gruis, uw altaar om;, (spelden;
Geen schaduw bleef er meer van 't heil dat we ons voor-
Verdienste en braafheid wordt belaagd,
Geleerde en kunstenaar wordt, met de bloem der helden,
De moordbijl door dcu strot gejaagd.
Ach! mögt mijn dood den noodvloed keeren.
Die alles overstelpt met rouw!
En 't voorbeeld van een zwakke vrouw
Den mannen mannengrootheid leeren!
Die hoop vertroost mij in mijn lot;
En, boven moordblok en schavot,
Verheft mijn vrije ziel zich reeds naar zaalger streken.
Komt, Regters, dorstend naar mijn bloed!
Haast u in 't vloekgerigt, om 't vonnis uit te spreken,
Dat de aardsche boei verbrijzlen moet.
Vaarwel, mijn vader! — Wil 't vergeven.
Dat ik, met Frankrqks lot begaan.
Beschikt heb over mijn bestaan...
Maar 'k heb geen gruweldaad bedreven:
Een godlijke aandrift noopte mij.
Om van 't gezag der tirannij