Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 49 —
Behoed? — Laat mij dien troost verwerven,
Aljjoede, die mijn hart doorziet!
o Dat mijn bloed niet vruchtloos vliet'!
Die hoop mij toelagehe in mijn sterven!
Het was voor u, mijn Vaderland!
Dat ik met krachtelooze hand
Het staal der wrake greep, dat mannenspieren vergde.
En 't ondier wegstiet van uw' grond.
Dat Gods lankmoedigheid te lang, te gruwlijk tergde.
Met hel en helmagt in verbond.
„Bemint gij?" — Regters, kost gij 't wachten?
Beminnen?-wien?"een' Fransehman?- Neen!
De booswicht leefde, — ik zag er geen,
Wien ik mijn hand kon waardig achten.
Mijn maagdlijk hart is rein, en vrij:
Geen liefde, — haat bezielde mij.
Haat tegen 't monster, dat heel 't rijk zocht uit te moor-
Die haat stamt van den Hemel af; (den.
Gods Englenwaren 't, die mijn teedre knieën schoorden
Toen ik Marat den doodsteek gaf.
Vandaar die kalme rust van binnen;
Vandaar het opgeruimd gelaat,
Dat afkeer, vrees noch angst verraadt.
En zijn vertrouwen wist te winnen.
't Gedrogt, door wat ik sprak voldaan,
Schreef met een' lach de namen aan (ven.
Der braven, die zijn tong reeds doemde om 't licht te der-
Toen blonk de wraakdolk in mijn hand...
De slag was toegebragt... ik zag den booswicht sterven,
Doodschuldig lang bij 't Vaderland.
En gij, gij Regter! dorst mij vragen
„ Of ik meer moorden reeds bedreef ?"
Verachtlijk werktuig! — moord? — ik beef .