Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 47 —
Eu 't (laaglijks spijsontboud des levens zenuw kerft,
Daar 't ranke lichaam schudt, met hals en hoofd gebogen.
Als schichten, die de zon gekromd heeft onder 't droogen:
'k Zweer by die vromen, die, door zoo veel lijdens heen,
Uit zuivi-e Godvrucht, om den Godgewijden steen
Te kussen, uit het diepst van 's aardrijks verste hoeken,
't Geheiligd Mema en heur heilige aard' bezoeken!
Of zwere ik liever nog by 't moedige oorlogspaard,
Dat dwars door strijdgeruisch en vlam en vonken vaart,
Met onverdraaid gezicht den dood in d'arm durft streven,
Ja 't wis verderf bestookt, en 't noodlot-zelf leert beven!
Steeds zal my, nevens 't zwaard, een moedig ros verzeilen.
Wiens breede en ruime borst van oorlogslust zal zwellen;
Wiens opgeheven hals uit breede schoften rijst; (wijst;
Daar 't trapplende in den grond, zijn sterkte en vuur be-
En, by den gloed van 't oog en de opgetrokken ooren.
Uit breeden neus en muil een forsch gebriesch doet hooren;
Wiens hoeven hard als staal, wiens schenkels sterk gepeesd,
Wiens heupen schichtig zijn, wiens lenden vast gevleesehd;
Wiens hielen voor 't gezicht met tweelingstarren blikkren;
Terwijl het vijfgestarnte op 't voorhoofd staat te ilikkren :
Voor wien de sterkste wind in 't midden van zijn vlucht
Bezwijkt, en nederzijgt, en naar den adem zucht:
Wiens onnazienbre ren, met stuivend zand omstoven.
Een straal van bliksems schij nt, die 's hemels wolken kloven ,
Ja zelfs des bliksems schicht in 't renperk achter laat:
Zijns meesters vriend, en hulp, en trouwe toeverlaat!
In deze, in deze twee zij heel mijn stoet besloten!
Zy strekken me in de plaats van vroegre dischgenooten!
Onëedlen, die in 't wee mijn teedre zucht verriedt!
Wijkt,snoodaarts,van mijnzijde! ik wil uwvriendschap niet.
Ja, waar in d'oorlogstorm de wieken slaan aan 't zwaaien.
Zal ik de spilboom zijn, om wien de raders draaien.
Waar 't vuur des oorlogs glimt, ben ik het die 't ontsteekt.