Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 55 —
üoor dat lasterzachtig maren
Worden braven dóór en dóór
Dweepers, zotten, huiebelaren.
Rjeine maagden nuf en sloor.
Zóó bezoedlen slangentongen,
Listig in 't gesprek gewrongen.
Elke deugd en eiken naam!
Zóó doortrapt en zoo boosaardig
Maart men 't heiligst zelfs onwaardig,
Blijft geene onsebuld zonder blaam.
1837. —— j. immerzebi. , j""
inir KËiv AiiBUM.
Wat vergt ge my, geliefde bartevrind?
Een bloemt jen? Aeb! my rest ook zelfs geen dorrend lover.
Neen, uitgeput by 't woeden van den wind.
Bleef de enkle scborseb alleen aan stam en takken over.
Mijn leeftijd was, en ging in 't noodweer om,
En wat my rest is saplooze ouderdom.
Maar ouderdom, wat bloemen'zou die dragen?
Te veel is zelfs bet minst dat hem gevorderd wordt.
De bliksem is in d'ouden tronk geslagen,
Zijn ooft viel onrijp af, of is aan 't hout verdord:
ó Ware 't slechts geen spel van dolle stormen,
Ten vuur gedoemd of voedsel voor de wormen!
Doch neen, de bijl wankt in des tninmans hand.
Daar treft de slag, daar ligt de vruchtboom neérgeslagen.
Daar ligt zijn roem bestelpt in 't dorre zand, ,
En 't vratig ongediert' zal merg en bast verknagen : .
Dan 't zij ! Hy was zich zeiven niet geplant,
En gaf zijn vrucht aan 't dierbaar Vaderland.
bildekdijk.