Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
_ 44 —
Grazeu in de lauwerblaren,
Trapplen door bet rozenbeil.
Trijntje zal een engel beeten,
Zal een halve Venus zijn....
„Maar, helaas! zij wil 't wel welen;
„Ze is een nuf"— en weg is Trijn.
Erger lot staat Klaar te vreezen:
Ruisch of Schuurmans zal ze wezen
Door penseel of citersnaar...
„Maar, bij al dat kunstgeüonker,
„Knijpt zij 't katjen in den donker,
„En... enfin!"... en weg is Klaar.
Willem zal men hoog verheffen,
Als een' bol, wiens kunde cn geest
Salomon zou overtreffen,
Die zoo'n feniks is geweest!
„ Maar, helaas! 't is met zijn zeden —
„ IJdelheid der ijdelheden;
„'t Is een wijnbuik, kroes van kop."
En daar gaat weêr 't paard der maren
Schuiven met zijn lauwerblaren
In een' vliegenden galop.
t Zal met Karei beter loopen:
Dat 's een steun van kerk en staat;
De armoê vindt zijn koffer open,
"VVeeuw en wees er hulp en raad.
Alles doet hij voor zijn kindreii;
Schoon hij zeil voor zich moet mindren,-
Zich bekrimpen... „maar met smart
„ Meent men in die goede werken
„ Eerbejag en trots te merken,
..Vreemd aan een regtsehapen hart."