Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
n A A R.
Moog' de taal op woorden roemen,
Voor de kalzueht bruikbre waar,
Sehooner woord is niet te noemeü,
Dan 't eenvoudig woordje maar.
't Is vergeefs in woordenboeken
Naar den diepen zin te zoeken.
Dien dat woord in zich besluit:
Honderd woorden, zaamgegrepen
Door een tong, op taal geslepen.
Drukken half zoo veel niet uit.
o! Er schuilt een zin der zinnen
In dat onaanzienlijk woord,
o! Er valt wat uit te spinnen.
Draait en knijpt men 't zoo als 't hoort.
Doch in 't weefsel der gesprekken
Moet men zóó de draden rekken.
Dat ze, als rag zoo dun en fijn,
Schietend van bedreven lippen,
Zelfs de opmerkzaamheid ontglippen.
En voor 't oog onzigtbaar zijn.
Schuilend onder rozenbladen
En behaaglijk loofverdek,
Toovert dc ijver om te schaden
't Woord behendig in 't gesprek:
Hooge lofspraak wordt Ixij vleten
Eerst gulhartig toegemeten;
Doch allcngskens, zacht van tred.
Komt het hinkend paard der maren