Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 4fl —
Moog' zij leercn hoe al 't aardsche rijst, voorbijgaat en
(verdwijnt.
jNu met takels haar geheven.
Uit de groef naar hooger lucht.
Hooger, hooger moet zij zweven,
Hooger klink' ha.ir blij gerucht!
Trekt nu, trekt! haalt op!
^ Van den torentop
Moog zij over stad en velden
Vreugde spellen, vrede melden!
Naar tckiueb. j. yxir lbitbbp.
KOMDERIiKV« PIiEIT TOOR BKTIT HOm».
Maria, die een' schat, een onwaardeerbien schat
In haar Fidsl bezat.
Wilde eens, gestaafd door duchtige bewijzen.
Aan haar vriendin den aard der honden prijzen.
En nam tot tegenbeeld den mensch die, naar zij sprak,
Van top tot teen vol valschheid stak:
„ De hond is trouw, oprecht en vrij van booze treken;
,, De mensch (vervolgde zij) draagt vriendschap in den
(mond,
,, Maar! keert hij zich, 't is meest om kwaad van u te spre-
„ Dat doet geen hond!" (ken, —