Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 40 —
Dan slaat zij, met onweerbaar blaken.
Het huis dat haar besloot uiteen:
Dan is 't als of, met open kaken.
Verdervend ons de hel verseheen.
Waar ruwe krachten zinloos woelen.
Baat noch beleid noch heilbedoelen;
Waar 't volk zich zelf bevrijdt van 't juk,
Is 't uit met welvaart en geluk.
Weel wee! der jammervolle stad.
Waar de oproervlam is uitgespat;
Waar 't losgebroken volk op wetten,
Op tucht noch orde meer wil letten.
Het oproer heeft den streng der klokken,
Tot beter doel bestemd, getrokken.
Haar klank, voor 't eerst met schrik gehoord,
Vermeldt Vernieling, plond'ring, moord.
Gelijkheid, vrijheid hoort men schallen:
De vrome burger grijpt naar 't zwaard;
Men zwerft de straten langs en wallen:
De moorders zijn bijeen vergaard.
Men ziet er vrouwen grimmig waren.
En grnwbren scherts aan wreedheid paren;
Zij slaan een feilen tijgertand
In 's vijands lillend ingewand:
jNiets heiligs meer! Vergruisd, versmeten
Is elke band der maatschappij.
De schelm ten regterstoel gezeten,
De laster in haar boosheid vrij.
't Gebrul des leeuws moge elk vervaren.
Des tijgers klaauw jaag' siddring aan,
Maar o! van al wat schrik kan baren,
Is 't sehriklijkst 's mensehen dolle waan
De heldre toorts moog heilzaam branden,
Wee u, die haar aan 's blinden handen
Vertrouwdet, dwaas en onberaên.