Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
_30-
Leeft, beweegt zich iedereeu,
Met beroep en stand te vreên.
En ziet neder met ontferming
Op den dwaas, die, onbedacht,
Dat beroep, dien stand veracht.
Arbeid is des burgers glorie;
Zegen is des arbeids loon.
Roemt des legerhelds viktorie.
Roemt den koning op zijn throon.
Arbeid schenkt de burgerkroon.
Zalige eendracht, zoete vrede!
Blijve in dit gewest,
Blijve, op aller bede,-
Blijve uw zetel hier gevest!
Moge ons nooit door woeste horden
't Zoet der rust ontnomen worden.
Nimmer moog de hemeltrans.
Lieflijk thands.
Tintiend van des avonds glans.
Van den rooden vuurgloed blaken,
Die uit wanden rijst en daken.
Knapen! slaat den vorm aan stukken,
Die zijn oogmerk heeft vervuld.
Hoe het maaksel moest gelukken.
Beiden wij met ongeduld.
Heft den hamer op,
't Onverpoosd geklop
Doe den vorm in gruis verdwijnen,
Nu de klok voor 't oog moet schijnen.
De meester weet, ter rechter tijd.
Met overleg den vorm te breken;
Maar weel wanneer, den dwang ontweken,
De gloeiende erts zich zelf bevrijdt.