Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 38 —
Eu op de geele garven
Prijkt fraai de bloemenkrans.
Nu baasten zich de knapen
En meisjes tot den dans.
De straten worden ledig;
Vereend om 't knappend vuur,
Is 't huisgezin gezeten
In 't vrolijk avonduur.
De nacht is stil en donker,
De posrt valt knarsend toe.
En alles gaat ter ruste,
Van daagschen arbeid moé.
Alleen de boozen vreezen
Bij 't duister van de nacht,
Daar 't oog der wet blijft waken
Op wie zijn pligt betracht.
Gij, die heerseht door zachte zeden.
Wallen bouwt en hooge steden,
Heilige orde! hemelspruit!
Gij, die barre woestenijen.
Vormt tot burgermaatschappijen.
Welvaart sticht en rampen stuit
En de bron des heils ontsluit!
Blijf, O blijf ons steeds regeereu
Door dien onwaardeerbren band,
Dien we in dankbren geestdi'ift eeren,
Liefde tot het vaderland!
Waar uw goedheid licht kwam scheppen.
Ziet men elk de handen reppen.
Alles roert zich, alles werkt,
Daar hen eendraehts band versterkt.
Traagheid voelt zich aangeprikkeld,
't Sluimrend geestvuur wordt ontwikkeld,
't Kunstvermogen opgemerkt.
Vrank cn vrij in uw bescherming,