Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 57 —
'l Is de teèrbemindc vrouw,
't Is de moeder, goed en trom»,
Die de nooit verbeden dood
Wegrukt van haar echtgenoot.
Van de panden hunner min.
Van 't ontroostbaar huisgezin.
Ach! de band is losgesnecn.
Die zoo trouw hen bond aaneen,
Ach! zij is deez' aard ontgaan:
Wie verzorgt het huis voortaan?
Droeve weesjes liet zij na,
Acb wie slaat hun kindschheid gaê?
Waar men zocht en wie men koos,
Vreemde zorg blijft liefdeloos.
Makkers! wilt den arbeid staken,
't Koper wordt intusschen koud.
Ongestoord moogt ge u vermaken,
Als de vogel in het woud.
N Wen de vesper slaat.
En ons 't licht verlaat.
Rust de werkman tot den morgen,
Maar nooit enden 's meesters zorgen.
Het boschpad langs getreden.
Door gade en kroost verwacht.
Stapt vlug de landman huiswaart
Bij 't naderen der nacht.
Terwijl de kudde blaètend
Zich naar de schaapskooi spoedt,
En 't rundvee, breed van schoften.
Den meststal loeiend groet.
Men ziet den wagen keeren,
Met schoven volgetast: *
Hij kantelt onder 't zwenken
En 't paard hijgt van den last,