Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 56 —
De huisvader blikt naar de smeulende stad,
Naar 't akelig graf dat zijn have bevat.
Een troost is hem overgebleven:
Hij telt al de hoofden van 't dierbaar gezin;
Geen enkel ontbreekt van die panden der min.
Nu vrolijk de reisstaf geheven.
Hoe vreeslijk het vuur beeft gewoed,
Zijn gade en zijn kroost zijn behoed.
Heel de vorm is volgeloopen
En ons werk vertrouwd aan de aard.
Is dat werk, gelijk wij hopen,
Aan de kunst geëvenaard?
Ach de noeste vlijt
Vindt geen loon altijd.
Mooglijk sprong de vorm aan stukken:
't Gieten kan zoo licht mislukken.
Het is de donkre schoot der aard.
Die ons zoo heilzaam werk bewaart.
Aan de aard betrouwt de landman 't zaad,
Opdat het eenmaal op moog schieten
En vruchtbaar wassen naar Gods raad;
Maar hij 't aandoenlijk tranenvlieten
Vertrouwen we aan die duistere aard
De panden, eindloos meerder waard.
Opdat zij eens in zaal'ger orden
Een schooner lot deelachtig worden.
't Klokgebom
Van den dom
Komt ons nooden.
Door zijn doffen toon verzeld,
* Treden wij langs 't somber veld
Naar de wijkplaats van de dooden.