Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 5S —
Kiudreu schreien, moeders zwerveu,
Die haar dierste pandcu derven.
Om te Lergen, om te vlieden,
Om te zien, om hulp te bieden,
Woelt en wart men door elkaér.
't Is bij nacht hier zonneklaar.
De emmers vliegden hand aan hand.
Spuiten zenden waterbogen
Naar den hoogen,
In den brand.
Onbeteugeld aangevlogen.
Blaast de orkaan,
Dien al verder feller aan.
't Spattend vuur
Valt op spinde en voorraadschuur,
Volgelaên
Met een droog, ontvlambaar graau.
Alles wordt verteerd, verwoest;
't Is of de aarde
Tot den baiert, die haar baai'de,
Keeren moest.
Hooploos moet de Sterfling zwichten
Voor des hemels Oppermacht:
Waar zijn arm niets uit kan richten,
Ziet, bewondert hij de kracht,
Die hem heeft ten val gebracht.
Uitgebrand is heel de stad,
Droef verlaten
Zijn de straten,
Waar de vreugd haar woonplaats bad.
Uit zoo menig praalgebouw
Grijnst de rouw.
Marmer viel en trotsch arduin;
Winden huilen over 't puin.
5'