Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
_ 54 —
iiolvtind mei ontzettend bruizen,
IVeèrwaards rollen door de buizen.
O vuur! weldadig- is uw maebt.
Wanneer de mensch die-macht geleidt:
Wat hij vervaardigt of bereidt,
Dat dankt hij aan uw wonderkracht.
Maar vreeslijk wordt gij, machtig vuur!
Wanneer ge, ontworsteld aan 't bestuur.
Geweldig losgebroken,
Ën wassend zonder wederstand,
Des menschen woning komt bestoken.
En 't kunstgewrocht van 's Menschen hand
Verwoest, vernielt door feilen brand.
Uit de wolken di-uppelt zegen,
In den regen;
Uit de wolken, even zeer.
Schiet de snelle bliksem neêr.
Aaklig doet van gindschen toren
Zich de noodklok booren.
Rood als bloed
Schijnt de hemel.
Neen, dat is geen morgengloed!
Welk gewemel.
Wat gejoel en volksgerucht!
Dikke rook.
Zwarte smook.
Stijgen dampend naar de lucht,
't Vuur woedt voort.
Onverstoord:
Huizen, straten zijn aan 't blaken^
Posten splijten, wanden kraken;
Vensters klettren;
Deni-en knettren;
Muren storten in en dnkcn.