Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 55 —
Zij blijft met baar voorbeeld haar doehteren leereu ;
Haar zoons door ontzag- of door zachtheid regeren;
Het werk is haar lust.
Haar naarstige zorgen
Vergunnen bij morgen
IVoeh avond haar rust.
Om 't spinnewiel draaien de snorrende draden;
Gevuld zijn met schatten de geurige laden;
De schittrende wol en het hagelwit linnen
Vcrcieren de blinkende kassen van binnen.
Zij voegt aan bet nut het eieraad en den glans,
En is de kroon baars mans.
Op den zegen,
Dus verkregen.
Op den rijken overvloed,
Dien hem 's Hemels goedheid gaf.
Ziet de vader, welgemoed,
Van den hoogeu gevel af.
Dankbaar, vrolijk, slaat hij de oogen
Op die schuren, rijk belaên.
Op die velden golvend graan.
Op dien boomgaard, neêrgebogen
Onder 't wicht van 't geurig fruit ;
En met stoutheid roept hij uit,
Dat zijn huis, in volle pracht,
's Onheils tegenheên belacht.
Maar, wie kan zijn lot vertrouwen?
Wie, op voorspoed zeker bouwen?
Makkers, 't is nu lijd van gieten.
Smeekt met mij om 's Hemels gonst.
Eer ik 't kokend vocht laat vlieten.
I\u den stop er uit gebonst!
Dat ons God behoed'!
'k Zie den feilen vloed,
3