Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 52 —
Het geeft, vereend, een goeden klank;
Dat ^ij, die Luwen, wel beramen.
Of ziel en neiging stemt te samen;
De waan is kort, de rouw is lang.
Lieflijk eiert de kroon de lokken
Van de minnelijke bruid.
Als de sebelle torenklokken
't Eebtfeest melden, blij en luid.
Acb! dat schoonste feest des levens
Eindigt 's levens lente tevens.
Valt de sluier, kwijnt de krans.
Ook verbeelding derft baar glans.
Maar eindigt de waan.
De min blijft bestaan.
Al mogen de kelken
Der bloemen verwelken.
De vrucbt is gegroeid.
Nu zorgvol te streven
Door 't rustlooze leven.
En, nimmer vermoeid.
Te planten, te zaaien.
En tijdig te maaien.
Te wikken, te wagen.
Om winst te bejagen,
V. Is 't werk van den man: vall' het lastig en zuur,,
Ras vindt hij in welvaart zijn zoete'beloning:
Biet schatten vervullen zich schuren en woning.
De gevel verlireedt zich met vleugel en muur.
De moeder der kindren, de zorgvolle gade
Vermijdt bet gedruis,
Slooft tijdig en spade.
En zorgt binnenshuis;
Volbrengt met vermaak
Haar heilige taak.