Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 30 —
Werpt het koper in.
Straks vermengd met tin!
Dat de klokkespijs, bij 't gieten.
Naar den rechten eisch moog' vlieten.
De klok, die we onder de aarde vormen.
Met hulp van 't onwaardeerbaar vuur.
Zal, hoog geplaatst bij 't rijk der stormen,
Van ons getuigen op den duur.
Zij tart de wenteling der dagen,
Treft ook der irageslachten oor;
Met hem die rouw draagt zal zij klagen.
Der vroomen zangtoon gaat zij voor.
Ja, wat bij 't wisslen van de jaren,
Omlaag den niensch gebeuren moog'.
Het zwaar metaal zal 't openbaren.
En 't stichtlijk melden van omhoog.
'k Zie de blanke waterbellen
Bobblen boven 't ziedend tin;
'k Wil de kooking nog versnellen;
Werpt er asch van souda in.
Zij ter rechter tijd
't Vocht van schuim bevrijd!
't Rein metaal, van 't vuil ontheven,
Zal ook zuivre klanken geven.
Ja, blijde klanken doe het booren.
Wanneer het lang gewenschte kind.
Tot vreugd der zijnen nu geboren,
Zijn leven sluimerend begint.
Het kent, in 's levens gouden morgen,
Bewaakt door moeders teedre zorgen.
Geen toekomst, wijslijk hem verborgen;
Dan ach, die tijd, zoo zoet en blij,
Vliegt als een snelle droom voorbij:
L.