Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 2G —
Rondom kostbre koets en wagen
Met driedubbel rosgespan,
Als de Vorstelijke Magen
Langs de lange zeestraat dan
Uit den Hage komen jagen.
Om van 't frisscbe strand te vragen
Wat geen hoflucht schenken kan!
'k Juichte dan, zoo wel te vrede.
Met den dorpbewoner mede
Bij den Koninklijken stoet;
't Deed mijn hart zoo innig goed.
De edele afkomst der Nassauwen
Aan dit zelfde strand te aanschouwen.
Dat zoo droevig sloeg aan 't rouwen
Bij den laatsten afscheidsgroet.
Van den besten Vorst ontvangen.
En dat de eerste welkomzangen
Weêr zijn' Zoon juichte in 't gemoet.
Tuigt bet, dierbre Landgenooten!
Of gij ooit dit strand genaakt
Zonder dat ge een' wellust smaakt.
Elders nooit u toegevloten;
Tuigt het, tuigt bet, of ge ons Land,
Op den wisselvloed der jaren
IVu gezonken in bezwaren.
Dan gestegen uit gevaren.
Als de vischhulk op de baren, —
Tuigt het, of ge ons Nederland
Niet aan dit merkwaardig strand
Door Gods liefderijke hand
Wonderdadig zaagt bewaren?
Tuigt het, is er eeuig oord.
Dat tot uwen grond behoort,
Rijker in herinneringen
Dan het arme Seheveningen?
Zaagt gij eens, verdiept in druk,