Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 25 -
Visscherman! uw moed is groot.
Om zoo zuur op zee te zwerven
Voor een sober brolsje brood!
'k Za^ dan somtijds om mij benen
Vrouwen zuchten, kinders weenen,
£n, bewogen met bun smart.
Brak van weemoed dan mij 't bart.
Acb! er zijn bier zoo veel vrouwen.
Zoo veel weeskens die er rouwen.
Om zoo menig die verging,
Waar gebeel bun ziel aan bing!
'k Mogt met blijdschap toen berdenken^
Dat ik dikwijls uw gescbenken,
Kotte's milde stedeling!
Voor die wees en weeüw ontving.
Maar wat nooit in vroeger dagen,
Baders! bier mijn oogen zagen.
Was uw overbuifde wagen,
Waar ge u in naar zee liet dragen,
En waaruit ge in 't golvend nat,
Ilooger, lager, naar behagen.
Langs den trapvloer neder tradt.
'k Zag in 't schroeijend zomerblaken
Menig lijder bier genaken,
Die veraming vond van 't wee
In bet stovend bad der zee.
Wat gewoel dan in bet ronde,
AVat gedraaf dan t'aller stonde.
Als de felle zonnebrand
Ilencnprest naar 't koele strand!
Wat al paarden, die dan bijgen
In het rijke wagentuig
Om de duinen op te stijgen!
Wat strijkaadje! wat gebuig!
Wat gewemel! wat gejuich