Boekgegevens
Titel: Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Auteur: Immerzeel, Johannes
Uitgave: Zutphen: A.E.C. van Someren, 1838
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 398 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204266
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichten, bijzonder voor de declamatie
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 24 —
En de vangst werd uitgedragen
En op 't zeestrand afgeslagen.
'k Zag dan 't zwoegen en gesloof.
Om den vetten waterroof
Diepe korven in te laden.
En er meê, van 't schuimend nat
Tot de schouders overspat.
Door de branding heen te waden;
Wijl de deernes, breed en bruin.
Dravend tegen visschersknapen
IXeêrgesneld van 't steile duin.
Kwamen mijnen, kwamen rapen.
Stapelen in mand bij mand
Wat er kromp en sprong aan 't strand.
Soms weêr, aan een andren kant.
Zag ik vrouw en knaap vereenen.
Om nieuwsgierig 't oor te leenen
Aan de onopgesmukte taal
Van eens visschers reisverhaal.
'k Mogt er weêr de zee beschouwen
Onder 't bnldrend stormrumoer
Als een vischvloot benen voer.
Maar aan 't strand nog werd weérhouëu,
Hobblend aan hare ankertouwen
In de branding, fel en boog.
Die als rook er over vloog;
Tot ze 't ruime pekel bouwde.
En toen, met gewenden boeg,
't Bolle zeil den wind vertrouwde.
En aan kust en oog ontjoeg.
Zag ik dan ze benen varen,
Nu begraven in de baren.
Dan weêr met den golftlag meê
Steigrend uit den schoot der zee,
O Dan dacht ik menigwerven.